Toelichting De Zwaanriddersage
Al sinds de Middeleeuwen doen er vele verhalen de ronde
over een geheimzinnige zwaanridder. Lohengrin, Helias en Elius, zo luidt zijn naam in die
verhalen. Niemand kent zijn werkelijke naam. Het Nijmeegse kasteel Heyendael is het
middelpunt van een van de Zwaanriddersagen, een verhaal dat stamt uit de tijd van de
kruistochten.
Aan het eind van een dag, terwijl de zon langzaam onderging, verscheen er op de Waal bij
Nijmegen een schip. Een onbekende blauwe vlag met daarop een gouden zwaan hing hoog in de
mast. Aan de reling stond de rijzige gestalte van een edele. Zijn kleding deed Oosters
aan, zijn huid had een donkere teint en evenals zijn kleding waren zijn haren en ogen
diepzwart. De vreemde edelman ging aan wal en vroeg de weg naar burcht Heyendael. Een
bereidwillige gids drukte hij een gouden munt in de hand. De burcht was eigendom van graaf
Diederik. Sinds die enkele jaren eerder op kruistocht naar het Heilige Land ging, zwaaide
diens dochter Beatrijs er de scepter. De geheimzinnige edele liet zich aandienen bij
Beatrijs met de mededeling dat hij een bericht van haar vader had. Zij ontving hem
terstond. De donkere Zwaanridder verhaalde van de veldslagen die hij aan de zijde van
Diederik had gevochten. Vele makkers lieten in de heilige strijd het leven onder de Turkse
kromzwaarden en nog meer Turken sneuvelden door hun pijlen en lansen. Hij vertelde hoezeer
haar vader ernaar verlangde haar te weerzien. Een gelofte om zijn verdere leven in dienst
van God te strijden in het Heilige Land, weerhield Diederik echter. De edelman gaf
Beatrijs daarop een brief van haar vader. Die had daarin slechts twee zinnen geschreven:
"Ik heb je lief," en "Als deze Zwaanridder je gunst mag verwerven, geef ik
je hem graag tot gemaal." Beatrijs verzocht een aantal weken bedenktijd. Nadat ze het
vreselijke nieuws had verwerkt en de zwaanridder beter had leren kennen, willigde zij
tenslotte het verzoek van haar vader in.
De Zwaanridder reageerde opgetogen, maar sprak vervolgens
in volle ernst: "Eerst moet ik U iets bekennen. Mijn naam is niet Elius. Mijn echte
naam kan ik U echter niet noemen. Ik vraag U vertrouwen in mij te hebben en nimmer te
trachten het geheim van mijn naam te ontraadselen. Als U dat wel doet, zal onze
liefdesband voorgoed verbreken en zult U mij nooit weerzien." Graag deed Beatrijs
deze belofte en korte tijd later traden zij in het huwelijk. Het werd de gelukkigste tijd
uit hun leven. Zij kregen drie gezonde zonen en hadden elkaar zeer lief.
In het begin deerde het geheim van zijn naam Beatrijs niet. Met het verstrijken der jaren
nam haar nieuwsgierigheid echter toe en begon zij aanwijzingen te zoeken. Op een dag
bezocht een jonge minstreel de burcht. Die vertelde in het verre Heilige Land voor graaf
Diederik te hebben gezongen. Beatrijs vroeg hem of hij ook de Zwaanridder kende. Zo
achterhaalde Beatrijs de ware naam van haar mysterieuze gemaal. Toen de Zwaanridder s
avonds huiswaarts keerde en Beatrijs hem met zijn echte naam aanriep, versteende zijn
hart. Na lang zwijgen, sprak hij: ""Eens zat ik na een lange dag van bloedige
strijd aan een klein meertje. Twee van mijn beste vrienden waren gedood en ik riep:
"God, ik heb geen vertrouwen meer in U!" Daarop zwom een witte zwaan op mij toe
en zei: "Men moet vertrouwen. Wie het vermogen te vertrouwen verliest, verliest ook
zichzelf. Voor altijd zult U nu een dolende ridder zijn. Slechts bij een geliefde die U al
haar vertrouwen schenkt, zult U rust vinden. Als proeve daarvan zal zij Uw naam niet mogen
weten. Raadt zij naar Uw naam, dan zal de liefdesband verbreken en zal zij U niet
weerzien."" Na deze woorden verliet de Zwaanridder de burcht Heyendael. Aan
boord van zijn schip, met in de mast de gouden zwaan op de blauwe vlag, voer hij de rivier
af naar verre streken.
De Zwaanriddersage is geschreven in opdracht van de Stichting Nederlands Instituut voor de
Blaasmuziek & de Drum- en Showbands en Majorettes (NIB), met financiële steun van het
Fonds voor de Scheppende Toonkunst.